LogoRld.jpg

header.jpg

Kleine landschapselementen

Met kleine landschapselementen, afgekort KLE, bedoelen we de vele 'kleine' natuurelementen die ons landschap mee vorm geven: bomenrijen, hagen, houtkanten, waterlopen en poelen.  Ook hoogstamboomgaarden, holle wegen en graften worden bij de kleine landschapselementen gerekend.  (Graften zijn taluds, met gras of struiken en bomen begroeid, en vaak gelegen tussen twee hellende landbouwperelen.)

Essentiële groene en blauwe linten

Kleine landschapselementen zijn onmisbaar in het landschap.  Zonder hen zou ons landschap er een pak saaier uitzien.  Belangrijker is echter hun natuurfunctie.  In ons intensief gebruikte landschap - er is vrijwel overal bebouwing of landbouw - zijn de KLE vaak de enige en laatste stukjes 'wilde' natuur.  Voor onze fauna en flora zijn ze dan ook uiterst belangrijk.  Zij leven immers niet alleen in geïsoleerde natuurreservaten of bossen.  Verschillende planten en dieren zijn zelfs gebonden aan een kleinschalig landbouwlandschap, d.w.z. een omgeving met akkers en weilanden, doorsneden met talrijke houtkanten, holle wegen enzomeer.  Zonder KLE zijn deze soorten verloren.

In de kleine landschapselementen vinden dieren beschutting, bouwen ze hun nesten en vinden ze voedsel (zaden, bessen, insecten, ...).  Ze gebruiken de KLE ook om zich te verplaatsen doorheen het landschap.  Zeg nu zelf, als klein knaagdiertje loop je toch liever dicht langs de struiken dan dat je een open veld oversteekt waar een hongerige roofvogel je meteen in de gaten heeft? 

Ook voor onze flora is het belang van de KLE niet te onderschatten.  In onze aangelegde tuinen en op akkers en weilanden is er immers niet veel of geen plaats meer voor de natuurlijke plantengroei.  Gelukkig wel in de kleine landschapselementen.  Vooral in holle wegen kan een heel gevarieerde plantengroei (kruiden, struiken, klimplanten en bomen) voorkomen.

Van gegeerd naar geweerd

Veel KLE werden vroeger doelbewust aangelegd: ze hadden een economische functie.  Men groef poelen om het vee te laten drinken, men plantte meidoornhagen om het vee in de wei te houden en met knotbomenrijen of houtwallen bakende men percelen af.  Men had er dan ook alle belang bij de KLE goed te onderhouden.  Het snoeihout kon men bovendien nuttig gebruiken als brand- of geriefhout.

Jammer genoeg hebben de KLE de laatste 50 jaar flink ingeboet aan natuurwaarde.  De intensivering van de landbouw en de toenemende bebouwing maken dat vele kleine landschapselementen simpelweg verdwenen zijn of 'ingekort': kaalgekapt, omgeploegd, opgevuld of afgegraven, omgevormd tot opritten en tuinen enz.  Veel poelen zijn vervangen door badkuipen, de meidoornhagen door prikkeldraad, ... .  De KLE die er nog zijn hebben dikwijls te lijden onder de inspoeling van pesticiden en meststoffen waardoor de flora-rijkdom achteruit gaat en bijgevolg ook het dierenleven. 

De Regionale Landschappen zetten zich in om de kwaliteit van en densiteit aan kleine landschapselementen te verbeteren.  We planten jaarlijks nieuwe KLE aan, voeren achterstallige onderhoudswerken uit of maken beheerplannen op voor de gemeenten (voor holle wegen).

Kijk voor meer info bij de lopende projecten en de andere thema-artikels onder Natuur en landschap. We hebben ook enkele praktische brochures die je kan bestellen of gratis downloaden.

Autochtone en streekeigen bomen en struiken

Streekeigen – of inheemse – bomen en struiken zijn soorten die van nature voorkomen in een bepaalde streek. Ze hebben zich in de loop der tijd aangepast aan het lokale klimaat en de plaatselijke bodem. Voorbeelden van streekeigen bomen en struiken zijn de beuk, linde, zomereik, tamme kastanje, hazelaar, haagbeuk, meidoorn, taxus, ...

Waarom kiezen voor streekeigen bomen en struiken in je tuin?

Streekeigen soorten hebben talrijke voordelen. Streekeigen bomen en struiken groeien sneller, hebben een langere levensduur en zijn beter bestand tegen plaatselijke weersgrillen, ziekten en (insecten)plagen. Streekeigen planten zorgen bovendien voor een vrolijk en wisselend kleurenpallet het hele jaar. In de winter zijn er bijvoorbeeld kale takken waar het zonlicht doorheen komt piepen, in de lente barst de boom/struik van de bloesems en of knopjes, in de zomer kleurt hij groen en in het najaar krijg je prachtige herfsttinten.

Met streekeigen bomen en struiken kan je tuin als het ware naadloos aansluiten op het omringende landschap. De plaatselijke dierenwereld (vlinders, vogels, egels, ...) hoeft geen wijde bocht om je tuin heen te maken, maar wordt net uitgenodigd om er te komen schuilen, eten en verblijven. De vruchtjes en zaadjes van de streekeigen soorten leveren een feestmaal voor deze beestjes.

De voordelen op een rijtje:

  1. - het plantsoen is niet duur
  2. - ze kunnen oud worden
  3. - landschapselementen met streekeigen soorten vormen een onvervangbaar cultuurpatrimonium uit ons agrarisch verleden
  4. - ze zijn goed bestand tegen ziekten en plagen
  5. - ze zijn aangepast aan de grillen van ons klimaat en onze bodems
  6. - streekeigen planten brengen natuur in je tuin

Nadelen van uitheemse siergewassen:

  1. - het plantsoen is relatief duurder
  2. - vaak gaan ze niet lang mee, conifeerhagen zijn lelijk na 15 jaar
  3. - ze spelen een minderwaardige rol in de natuurwaarde van je tuin
  4. - exoten kunnen in sommige gevallen explosief toenemen: bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers en eik, Japanse duizendknoop
  5. - door woekering van uitheemse gewassen, kunnen zeldzame planten letterlijk en figuurlijk in de schaduw komen te staan en verdwijnen
  6. - ze hebben vaak geen enkele waarde voor het landschap

Wat is autochtoon plantgoed?

Streekeigen plantgoed kan soms autochtoon zijn. Dat zijn plantensoorten die rechtstreeks afstammen van hun voorouders die na de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden het landschap “veroverden”. Hun genen zijn dus van onschatbare waarde omdat deze planten perfect afgestemd zijn op hun leefomgeving. Ze zorgen voor een evenwicht in de natuur. Dit noemen we autochtoon plantgoed.

Het planten van streekeigen, inheems plantgoed is aan een opmars bezig. Maar deze zijn meestal van buitenlandse afkomst en hebben andere genen dan de planten van hier. Dit plantgoed is dus niet autochtoon maar kan zich hier wel handhaven.

Waarom is autochtoon (nog) beter dan inheems?

Het autochtoon plantgoed maakt deel uit van ons cultuurhistorisch patrimonium. Het is daarom van bijzonder belang om er voor te zorgen dat ze niet verdwijnt. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het buitenlands plantgoed minder is aangepast aan ons klimaat en dus gevoeliger is voor ziektes en vorst. Meidoorn, sleedoorn of veldesdoorn uit de mediterrane streken komen hier sneller in de problemen.

Tijd voor actie

De autochtone populaties komen steeds meer in het gedrang. Daarom hebben de regionale landschappen actie ondernomen. Op verschillende locaties worden autochtone zaden en vruchten geoogst. Bekijk hier een fotoreportage van ons landschapsteam dat in enkele holle wegen in Bertem zaden en vruchten oogstte. Het opkweken ervan gebeurt door erkende kwekers. Zo zal er binnen enkele jaren een zelfstandige markt ontstaan van autochtoon plantgoed. Iedereen zal een authentieke boom of struik in zijn tuin moeten kunnen planten.  Ook bij werkzaamheden van de landschapsteams van de Regionale Landschappen zal dit plantgoed gebruikt worden (project Hagen, houtkanten en knotbomen).

Meer info over dit thema op de websites Plant van Hier en Agentschap voor Natuur en Bos.

Knotbomen, knoestige kerels

Een knotboom is een boom die regelmatig gesnoeid wordt op een welbepaalde hoogte. Meestal gebeurt dit op zo’n twee meter stamhoogte. Door het regelmatig terugsnoeien ontstaat er na verloop van tijd op de stam een knoestige ‘knot’. Vandaar de naam van deze groeivorm.

Bij knotbomen denken veel mensen spontaan aan de knotwilg, verruit de meest gebruikte soort voor deze beheertechniek. Maar er kunnen ook tal van andere bomen als knotboom worden beheerd: Gewone es, Haagbeuk, iepen en eiken bijvoorbeeld, maar ook Zwarte els, abeel en Zwarte populier.

Hout voor vanalles en nog wat

Knotbomen hadden vroeger een belangrijke economische betekenis. In de eerste plaats waren ze leveranciers van brandhout. Afhankelijk van de gewenste dikte van het brandhout knotte men de bomen om de vijf tot tien jaar. De kleinere takken (rijshout) gebruikte men voor het opstoken van broodovens of als basismateriaal voor allerhande vlechtwerk. Met het geoogste hout werden ook allerhande werktuigen gemaakt. Van essenhout bijvoorbeeld kon men houten klompen snijden, van de dunnere takken werden stelen gemaakt. Een andere specifieke functie van de knotboom was het verstevigen van oevers van waterlopen en het deels ontwateren ervan. In dat geval werd er meestal gebruik gemaakt van de wilg. Ook werden knotbomen gebruikt als windbreker en perceelbegrenzer.

Een klein biotoopje

Naast de economische functie hebben knotbomen ook een belangrijke ecologische betekenis. De stam van een knotboom holt, na verloop van jaren, makkelijk uit door inrotting vanaf de knot. De holtes die zo ontstaan zij ideale nest- en schuilplaatsen voor tal van dieren. Verschillende uilen- en vleermuissoorten maken hier dankbaar gebruik van. Op de knot van een oude knotboom ontstaat vaak een klein biotoopje waarin mossen en andere planten groeien.

Knotbomen worden meestal in rijen geplant. Samen met hagen, houtkanten, dreven en andere bomenrijen vormen ze een netwerk van groene verbindingwegen voor tal van dieren en planten doorheen het landschap.

Regionaal Landschap Dijleland vzw plant knotbomen aan of doet achterstallig onderhoud: project Hagen, houtkanten en knotbomen.

Poelen, parels in het landschap

Een poel is een kleine en relatief ondiepe waterpartij met stilstaand water, gevoed door regen- of grondwater. Poelen zijn meestal door de mens uitgegraven als drinkplaats voor het vee. Waar bronwater opwelt kunnen ook poelen ontstaan op een natuurlijke manier.

Poelen zijn niet alleen nuttig als veedrinkplaats. Ook op ecologisch vlak zijn ze erg waardevol, want poelen vormen rijke biotopen (leefplekken) waarin allerhande water- en moerasplanten, insecten en amfibieën een thuis vinden.

Van poel naar badkuip

Ons landschap, en dan vooral ons agrarisch landschap, was vroeger bezaaid met poelen. Door het moderniseren van de landbouw is de economische functie ervan bijna volledig verloren gegaan. Veel poelen werden gedempt of verlandden door gebrek aan onderhoud en werden vervangen door bad- en andere kuipen. Ook de daling van de grondwatertafel deed sommige poelen de das om. Bovendien ging de kwaliteit van de overgebleven poelen sterk achteruit. Het water raakte vervuild door kunstmeststoffen en pesticiden, wat uiteraard erg nefast is voor het leven in deze zoetwater-ecosystemen.

Een bron van leven

Gelukkig begint men nu het ecologisch en landschappelijk belang van deze biotopen in te zien. Men schat dat er wel duizend verschillende soorten organismen in één poel kunnen zitten. Daarnaast profiteren veel vogels en zoogdieren van het water om hun dorst te komen lessen.

Poelen zijn onmisbaar als voortplantingsplaats voor onze amfibieën (kikkers, padden en salamanders). Deze diertjes brengen een groot deel van het jaar op het land door, maar elk voorjaar zoeken ze waterplassen op om zich voort te planten. Vaak trekken ze naar dezelfde poel als waar ze geboren zijn. De wijfjes zetten hun bevruchte eitjes (kikkerdril) af in het water. Na enkele weken komen dan de larven, ook dikkopjes of kikkervisjes genoemd, uit. Pas nadat de larven hun metamorfose tot volwassen amfibie hebben volbracht, verlaten ze het water. In vervuild water sterven veel larven helaas af en zal de voortplanting niet succesvol zijn.

Natuurlijke netwerken

Voor de overleving van amfibieën is het ook belangrijk dat de omgeving van de poelen rijk is aan natuur. Op het land houden ze zich immers schuil in natte graslanden en ruigtes, houtkanten en bosjes. Om te overwinteren zoeken ze beschutting onder bladeren, takkenhopen of stenen waar ze een winterslaap houden.

Ook van belang voor het in stand houden van amfibieënpopulaties is dat poelen niet geïsoleerd liggen. Met andere woorden, er is een netwerk van poelen die dicht genoeg bij mekaar liggen, nodig zodat er genetische uitwisseling en kolonisatie (migratie van de ene poel naar de andere) mogelijk is. Een groep dieren die geïsoleerd leeft loopt veel meer risico om uit te sterven, bijvoorbeeld door ziekte of lokale vervuiling. De meeste amfibieën blijven echter binnen een straal van een kilometer rond hun voortplantingspoel en dat houdt dus risico’s in. Een landschap met voldoende natuurlijke verbindingen, zoals waterlopen en houtkanten, is bovendien nodig om migratie toe te laten.

Regionaal Landschap Dijleland vzw legt nieuwe poelen aan of herstelt oude, verlande poelen (project Breedsmoel zoekt poel).  Bijzondere aandacht besteden we aan twee kwetsbare amfibieënsoorten: de Vroedmeesterpad en de Kamsalamander.

Praktische info over poelen vind je ook in deze brochure.

Hoogstamboomgaarden, lekkere natuur

Al eeuwenlang houdt de mens zich bezig met het kweken van fruit. De Romeinen brachten de eerste veredelde appel- en perenrassen naar onze streken. Deze hadden mooiere, grotere en lekkerdere vruchten dan de wilde variëteiten.

Plaatselijke monniken, kasteelheren en boeren gingen nadien duchtig door met het kweken van nieuwe rassen. Hierdoor ontstonden verschillende rassen typisch voor België, Vlaanderen, een streek, een gemeente, ...

Van hoogstam naar laagstam

Fruit kweken was voor landbouwers oorspronkelijk geen hoofdactiviteit. Ze plantten hoogstamfruitbomen aan in weiden waar hun koeien en schapen graasden. Zo hadden ze naast vlees en melk ook nog lekker fruit om onmiddellijk op te eten, te bewaren, te stoven, op te leggen of om stroop of cider van te maken.

Na de Tweede Wereldoorlog ging het echter snel bergaf met de hoogstamboomgaarden en met de verscheidenheid aan rassen. De telers schakelden massaal over op laagstamfruitbomen. Om te voldoen aan de vraag van de markt plantten ze boomgaarden aan met slechts twee of drie rassen. Dit brengt een hogere gevoeligheid met zich mee voor ziekten en plagen, maar daar boden bestrijdingsmiddelen de oplossing voor. De hoogstammen werden massaal gerooid.

Een brok natuur

In een hoogstamboomgaard gonst het van het dierenleven. Insecten komen af op de bloesems. Zij dienen op hun beurt als voedsel voor andere dieren zoals vogels en vleermuizen.  En ook van het afgevallen fruit dat blijft liggen komen heel wat dieren snoepen: vlinders, eikelmuis, das, …. 

Hoogstamfruitbomen hebben de neiging om holten te vormen en dit zijn ideale nestplaatsen voor mezen, steenuilen en andere vogels.  In de kruin van oude appelaars vinden maretakken al eens een plaatsje.

Vandaag zet Regionaal Landschap Dijleland zich in om de hoogstamboomgaarden die nog in het Dijleland aanwezig zijn te herstellen, nieuwe hoogstamboomgaarden aan te leggen en oude fruitrassen die typisch zijn voor onze streek terug naar het Dijleland te halen. Niet alleen omwille van hun hierboven beschreven historische waarde, maar ook omwille van hun belang voor natuur en landschap. Zie project Hoogstamboomgaarden.

Praktische info vind je ook in deze brochure.

Natuur en landschap

Kleine landschapselementen

Kleine landschapselementen vervullen een onmisbare ecologische functie in het landschap.    Lees meer...

Poelen, parels in het landschap

Poelen zijn onmisbare voortplantingsbiotopen voor onze amfibieën.   Lees meer...

Hoogstamboomgaarden, lekkere natuur

Hoogstamboomgaarden zijn zowel op cultuurhistorisch als ecologisch vlak erg belangrijk.  Lees meer...

Holle wegen, landschappelijk erfgoed

Holle wegen zijn er in vele maten en gewichten. Van grazige bermen tot beboste ravijnen.  Lees meer...

Knotbomen, knoestige kerels

Oude knotbomen zijn echte natuurpareltjes.  Niet alleen wilgen zijn geschikt om te knotten.  In het verleden werden ook eiken en haagbeuken vaak als knotboom gebruikt.  Lees meer...

Autochtone en streekeigen bomen en struiken

Plantgoed uit eigen streek heeft meer dan één streepje voor! Lees meer...
 

Holle wegen, landschappelijk erfgoed

Hoe ontstaan holle wegen?

Een holle weg is een weg of pad waarvan het wegdek lager ligt dan het omliggende land. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit. Het is een proces dat ook vandaag nog optreedt zolang het wegdek onverhard blijft. Per definitie noemen we een weg een ‘holle weg’ wanneer het wegdek minstens een halve meter lager ligt dan de gronden rondom.

Holle wegen zijn typische kleine landschapselementen voor heuvelachtige streken met een leemondergrond. De fijne leemkorrels kleven goed samen en laten de vorming van stevige, steile wanden toe. Zand daarentegen brokkelt makkelijk af zodat hierin enkel ondiepe holle wegen ontstaan. Naast een geschikte bodem is een hellend reliëf nodig, opdat het afstromend regenwater voldoende kracht krijgt om grond mee af te voeren. Sommige holle wegen in het Dijleland hebben zich op deze wijze wel tien meter ingesneden in het landschap.

De meeste holle wegen zijn vermoedelijk vanaf de Middeleeuwen ontstaan. Door toedoen van een groeiende bevolking ontgonnen de boeren steeds meer stukken land en werden nieuwe paden gevormd. Sommige holle wegen zijn echter nog ouder en dateren uit de Romeinse tijd. Holle wegen dragen dus een stukje geschiedenis mee en maken daarom deel uit van ons cultureel erfgoed.

Waarom zijn holle wegen zo bijzonder?

Naast hun cultuurhistorische waarde hebben holle wegen ook een belangrijke natuurwaarde. In ons intensief gebruikte landschap zijn holle wegen van groot belang voor plant en dier. Ze herbergen soms het laatste restje wilde natuur te midden van uitgestrekte akkers en dienen als verbindingsweg of stapsteen tussen bosjes en andere stukjes natuur die versnipperd liggen in de omgeving. Vele vogels, vlinders, vleermuizen, knaagdieren, vossen, ... (en wie weet in de toekomst opnieuw de das) vinden in holle wegen voedsel en beschutting. Ze bouwen er hun nesten of burchten of gebruiken de holle wegen om zich te verplaatsen doorheen het landschap. Zeker vermeldenswaardig is de vondst van het Schitterend lieveheersbeestje - dat graag samenleeft met bosmieren - in een holle weg in het Dijleland: lees meer hierover in dit artikel .

Door hun verzonken ligging heerst in holle wegen een microklimaat, zeker wanneer de bermen bebost zijn. Het is er windluw, schaduwrijk, vochtig, koeler in de zomer en zachter in de winter dan ‘erbuiten’.

In beboste holle wegen vinden typische schaduwplanten hun stek: allerlei varens, Gele dovenetel, Geel nagelkruid, Salomonszegel, Maarts viooltje, …. In het vroege voorjaar zijn de met Speenkruid of Bosanemoon begroeide bermen een streling voor het oog.

In de struik- en boomlaag vind je een veelheid aan inheemse soorten: Hazelaars wisselen af met Olm, Zoete kers, Zomereik, Sleedoorn, Eénstijlige meidoorn, Rode kornoelje, wilgensoorten, …. Hier en daar vinden we ook Gewone beuk, Wintereik, Haagbeuk, Wilde lijsterbes of Kardinaalsmuts. Bosrank slingert zich tussen de takken door naar het licht. Dankzij de ouderdom van holle wegen zijn het vaak zelfs autochtone bomen en struiken.

Ook holle wegen die niet bebost zijn kunnen een hoge natuurwaarde hebben. Vooral op zonnige bermen kan een grote verscheidenheid aan bloeiende kruiden voorkomen: Wilde marjolein, Beemdkroon, Vogelwikke, Grasklokje, enzovoort.

Naast de bezonning beïnvloeden nog andere factoren de samenstelling van de plantengroei, zoals de bodemsamenstelling en bodemvochtigheid. Gezien al deze factoren sterk kunnen verschillen van plaats tot plaats, kan de plantengroei in holle wegen dus heel gevarieerd zijn.

Naast een ecologische functie hebben holle wegen uiteraard ook een economische functie - in de eerste plaats voor de landbouw - en een recreatieve functie. Samen met andere ‘trage wegen’ zijn ze ideaal voor wandelaars, ruiters en fietsers om van het landschap te genieten.

Bedreigingen …

Helaas gaat het niet altijd even goed met onze holle wegen. De intensivering van de akkerbouw, het toenemend verkeer en de uitbreidende bebouwing zijn rechtstreekse bedreigingen. Talrijke holle wegen – en helaas ook andere kleine landschapselementen zoals graften, bomenrijen, houtkanten, … – verdwenen de laatste decennia of boetten in aan natuurwaarde. Bomen en struiken werden gerooid, wegbeddingen verhard, opgevuld of volgestort met afval. In onbruik geraakte holle wegen groeiden dicht. Meststoffen die van de akkers de holle weg in spoelen bevorderen de groei van ruigtekruiden zoals brandnetels, ten nadele van bloemrijke kruiden. Ook op plaatsen waar ‘onschuldig’ tuinafval gestort wordt, worden meststoffen aan de bodem toegevoegd met een sterke groei van brandnetels als gevolg.

Vroeger werden de bomen en struiken in holle wegen meestal als hakhout beheerd: het hout werd regelmatig gedeeltelijk gekapt omdat men brand- en geriefhout nodig had. Bermen met gras en kruiden werden begraasd door schapen. Deze praktijken raakten in onbruik, met als gevolg dat het beheer van holle wegen lange tijd achterwege bleef.

Bescherming en wetgeving

Regionaal Landschap Dijleland vzw probeert het tij te keren door reeds enkele jaren (sinds 1999) projecten uit te voeren rond holle wegen. Dit gebeurt o.a. met financiële steun van de provincie Vlaams-Brabant, de Vlaamse overheid en Europa. Enerzijds willen we de inwoners van de streek bewust maken van de waardevolheid van de talrijke holle wegen in hun omgeving. Anderzijds stimuleren en helpen we de gemeenten om in de toekomst een duurzaam beheer uit te voeren in hun holle wegen. De meeste holle wegen zijn immers officiële openbare wegen, ook al behoren de bermen soms voor een stuk tot het naastliggende perceel of privé-domein. Ongeacht de eigendomssituatie van de bermen, verdienen de holle wegen evenwel een regelmatig beheer dat rekening houdt met enkele ecologische basisprincipes en de aanwezige natuurwaarde.

Niet enkel Regionaal Landschap Dijleland vzw is bekommerd om de holle wegen. Landbouwers kunnen een beheerovereenkomst afsluiten met de Vlaamse Landmaatschappij om, tegen vergoeding, een bufferstrook in gras aan te leggen tussen akker en holle weg.

Verder stelt de Vlaamse natuurwetgeving (het Natuurdecreet) strenge, maar helaas weinig gekende, eisen rond de bescherming van holle wegen en andere kleine landschapselementen. Naast het algemene principe van de ‘zorgplicht’, dat iedere burger ertoe verplicht zorg te dragen voor de resterende natuur, omvat het natuurdecreet een ‘verbod op het wijzigen’ van holle wegen en hun vegetatie (plantengroei, incl. bomen en struiken). Dit wil zeggen dat alle werkzaamheden die geen normaal onderhoud zijn, verboden zijn; tenzij hiervoor een ‘individuele ontheffing’ werd verkregen of een stedenbouwkundige vergunning met advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid. Het wijzigen van het wegdek door het aanbrengen van allerlei verhardingsmateriaal, het graven van een oprit naar een perceel, het verwijderen of vernietigen van vegetatie, … zijn duidelijk géén normale onderhoudswerken.

Ook voor het kappen van een hoogstammige boom (dit is een boom met een omtrek van 1 m of meer op een hoogte van 1 m) is meestal een stedenbouwkundige vergunning vereist.

Naast deze Vlaamse wetgeving kan een gemeentelijke verordening nog strengere eisen stellen i.v.m. het vellen van bomen en struiken. Informeer bij je gemeente!

Een andere wetgeving die van toepassing is op vele holle wegen en andere ‘trage wegen’ (veldwegen, oude kerkwegels, paadjes, …) is de ‘Wet op de Buurtwegen’. Alle officiële buurtwegen zijn aangeduid in de ‘Atlas der Buurtwegen’, die ter inzage ligt bij de gemeenten en de provincie. Deze buurtwegen zijn openbaar: iedereen mag er gebruik van maken en ze mogen ook niet afgesloten worden. Dit geldt ook voor buurtwegen die gelegen zijn op private eigendom!