LogoRld.jpg

header.jpg

Holle wegen, landschappelijk erfgoed

Hoe ontstaan holle wegen?

Een holle weg is een weg of pad waarvan het wegdek lager ligt dan het omliggende land. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit. Het is een proces dat ook vandaag nog optreedt zolang het wegdek onverhard blijft. Per definitie noemen we een weg een ‘holle weg’ wanneer het wegdek minstens een halve meter lager ligt dan de gronden rondom.

Holle wegen zijn typische kleine landschapselementen voor heuvelachtige streken met een leemondergrond. De fijne leemkorrels kleven goed samen en laten de vorming van stevige, steile wanden toe. Zand daarentegen brokkelt makkelijk af zodat hierin enkel ondiepe holle wegen ontstaan. Naast een geschikte bodem is een hellend reliëf nodig, opdat het afstromend regenwater voldoende kracht krijgt om grond mee af te voeren. Sommige holle wegen in het Dijleland hebben zich op deze wijze wel tien meter ingesneden in het landschap.

De meeste holle wegen zijn vermoedelijk vanaf de Middeleeuwen ontstaan. Door toedoen van een groeiende bevolking ontgonnen de boeren steeds meer stukken land en werden nieuwe paden gevormd. Sommige holle wegen zijn echter nog ouder en dateren uit de Romeinse tijd. Holle wegen dragen dus een stukje geschiedenis mee en maken daarom deel uit van ons cultureel erfgoed.

Waarom zijn holle wegen zo bijzonder?

Naast hun cultuurhistorische waarde hebben holle wegen ook een belangrijke natuurwaarde. In ons intensief gebruikte landschap zijn holle wegen van groot belang voor plant en dier. Ze herbergen soms het laatste restje wilde natuur te midden van uitgestrekte akkers en dienen als verbindingsweg of stapsteen tussen bosjes en andere stukjes natuur die versnipperd liggen in de omgeving. Vele vogels, vlinders, vleermuizen, knaagdieren, vossen, ... (en wie weet in de toekomst opnieuw de das) vinden in holle wegen voedsel en beschutting. Ze bouwen er hun nesten of burchten of gebruiken de holle wegen om zich te verplaatsen doorheen het landschap. Zeker vermeldenswaardig is de vondst van het Schitterend lieveheersbeestje - dat graag samenleeft met bosmieren - in een holle weg in het Dijleland: lees meer hierover in dit artikel .

Door hun verzonken ligging heerst in holle wegen een microklimaat, zeker wanneer de bermen bebost zijn. Het is er windluw, schaduwrijk, vochtig, koeler in de zomer en zachter in de winter dan ‘erbuiten’.

In beboste holle wegen vinden typische schaduwplanten hun stek: allerlei varens, Gele dovenetel, Geel nagelkruid, Salomonszegel, Maarts viooltje, …. In het vroege voorjaar zijn de met Speenkruid of Bosanemoon begroeide bermen een streling voor het oog.

In de struik- en boomlaag vind je een veelheid aan inheemse soorten: Hazelaars wisselen af met Olm, Zoete kers, Zomereik, Sleedoorn, Eénstijlige meidoorn, Rode kornoelje, wilgensoorten, …. Hier en daar vinden we ook Gewone beuk, Wintereik, Haagbeuk, Wilde lijsterbes of Kardinaalsmuts. Bosrank slingert zich tussen de takken door naar het licht. Dankzij de ouderdom van holle wegen zijn het vaak zelfs autochtone bomen en struiken.

Ook holle wegen die niet bebost zijn kunnen een hoge natuurwaarde hebben. Vooral op zonnige bermen kan een grote verscheidenheid aan bloeiende kruiden voorkomen: Wilde marjolein, Beemdkroon, Vogelwikke, Grasklokje, enzovoort.

Naast de bezonning beïnvloeden nog andere factoren de samenstelling van de plantengroei, zoals de bodemsamenstelling en bodemvochtigheid. Gezien al deze factoren sterk kunnen verschillen van plaats tot plaats, kan de plantengroei in holle wegen dus heel gevarieerd zijn.

Naast een ecologische functie hebben holle wegen uiteraard ook een economische functie - in de eerste plaats voor de landbouw - en een recreatieve functie. Samen met andere ‘trage wegen’ zijn ze ideaal voor wandelaars, ruiters en fietsers om van het landschap te genieten.

Bedreigingen …

Helaas gaat het niet altijd even goed met onze holle wegen. De intensivering van de akkerbouw, het toenemend verkeer en de uitbreidende bebouwing zijn rechtstreekse bedreigingen. Talrijke holle wegen – en helaas ook andere kleine landschapselementen zoals graften, bomenrijen, houtkanten, … – verdwenen de laatste decennia of boetten in aan natuurwaarde. Bomen en struiken werden gerooid, wegbeddingen verhard, opgevuld of volgestort met afval. In onbruik geraakte holle wegen groeiden dicht. Meststoffen die van de akkers de holle weg in spoelen bevorderen de groei van ruigtekruiden zoals brandnetels, ten nadele van bloemrijke kruiden. Ook op plaatsen waar ‘onschuldig’ tuinafval gestort wordt, worden meststoffen aan de bodem toegevoegd met een sterke groei van brandnetels als gevolg.

Vroeger werden de bomen en struiken in holle wegen meestal als hakhout beheerd: het hout werd regelmatig gedeeltelijk gekapt omdat men brand- en geriefhout nodig had. Bermen met gras en kruiden werden begraasd door schapen. Deze praktijken raakten in onbruik, met als gevolg dat het beheer van holle wegen lange tijd achterwege bleef.

Bescherming en wetgeving

Regionaal Landschap Dijleland vzw probeert het tij te keren door reeds enkele jaren (sinds 1999) projecten uit te voeren rond holle wegen. Dit gebeurt o.a. met financiële steun van de provincie Vlaams-Brabant, de Vlaamse overheid en Europa. Enerzijds willen we de inwoners van de streek bewust maken van de waardevolheid van de talrijke holle wegen in hun omgeving. Anderzijds stimuleren en helpen we de gemeenten om in de toekomst een duurzaam beheer uit te voeren in hun holle wegen. De meeste holle wegen zijn immers officiële openbare wegen, ook al behoren de bermen soms voor een stuk tot het naastliggende perceel of privé-domein. Ongeacht de eigendomssituatie van de bermen, verdienen de holle wegen evenwel een regelmatig beheer dat rekening houdt met enkele ecologische basisprincipes en de aanwezige natuurwaarde.

Niet enkel Regionaal Landschap Dijleland vzw is bekommerd om de holle wegen. Landbouwers kunnen een beheerovereenkomst afsluiten met de Vlaamse Landmaatschappij om, tegen vergoeding, een bufferstrook in gras aan te leggen tussen akker en holle weg.

Verder stelt de Vlaamse natuurwetgeving (het Natuurdecreet) strenge, maar helaas weinig gekende, eisen rond de bescherming van holle wegen en andere kleine landschapselementen. Naast het algemene principe van de ‘zorgplicht’, dat iedere burger ertoe verplicht zorg te dragen voor de resterende natuur, omvat het natuurdecreet een ‘verbod op het wijzigen’ van holle wegen en hun vegetatie (plantengroei, incl. bomen en struiken). Dit wil zeggen dat alle werkzaamheden die geen normaal onderhoud zijn, verboden zijn; tenzij hiervoor een ‘individuele ontheffing’ werd verkregen of een stedenbouwkundige vergunning met advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid. Het wijzigen van het wegdek door het aanbrengen van allerlei verhardingsmateriaal, het graven van een oprit naar een perceel, het verwijderen of vernietigen van vegetatie, … zijn duidelijk géén normale onderhoudswerken.

Ook voor het kappen van een hoogstammige boom (dit is een boom met een omtrek van 1 m of meer op een hoogte van 1 m) is meestal een stedenbouwkundige vergunning vereist.

Naast deze Vlaamse wetgeving kan een gemeentelijke verordening nog strengere eisen stellen i.v.m. het vellen van bomen en struiken. Informeer bij je gemeente!

Een andere wetgeving die van toepassing is op vele holle wegen en andere ‘trage wegen’ (veldwegen, oude kerkwegels, paadjes, …) is de ‘Wet op de Buurtwegen’. Alle officiële buurtwegen zijn aangeduid in de ‘Atlas der Buurtwegen’, die ter inzage ligt bij de gemeenten en de provincie. Deze buurtwegen zijn openbaar: iedereen mag er gebruik van maken en ze mogen ook niet afgesloten worden. Dit geldt ook voor buurtwegen die gelegen zijn op private eigendom!